Een requiem voor de levenden

‘Als choreograaf kun je schreeuwen bij Brahms, met je vuist slaan, en hij vergeeft je elke ongelijkmatigheid’

Een requiem voor de levenden
© Gert Weigelt

‘Mijn lieveling uit Duitsland’. Zo noemt Hans van Manen de door hem zeer bewonderde Martin Schläpfer. Na eerst het Duitse Ballettmainz op de kaart te hebben gezet, toverde de Zwitserse oud-danser en choreograaf het Ballett am Rhein Düsseldorf Duisburg om tot een van de topdansgezelschappen in Duitsland. Voor het complete ensemble van 45 dansers creëerde hij een imposant en aangrijpend meesterwerk op Brahms’ Ein Deutsches Requiem, dat nu exclusief in het Scheveningse Zuiderstrandtheater te zien is. “Brahms’ compositie is als een oceaan, ze komt en gaat. Het is muziek die je meer in je buik voelt dan in je hoofd.”

Tekst: Astrid van Leeuwen

Het was, naast Nina Simones album Baltimore, een van de eerste twee lp’s die Martin Schläpfer als zeventienjarige kocht: Johannes Brahms’ Ein Deutsches Requiem. “Ik weet niet meer precies waarom de plaat mij aantrok. Misschien wel gewoon vanwege de mooie cover”, zegt hij lachend. “In elk geval had ik destijds al wel iets met geestelijke muziek. Wellicht omdat ik op een of andere manier toch zoekende was. Ik zat op de Royal Ballet School in Londen en was voor het eerst ver weg van huis, weg uit de boerenomgeving waar ik geboren ben.”

De jonge balletstudent viel als een blok voor de monumentale kracht en schoonheid van Brahms’ muziek. “De compositie heeft mij sindsdien nooit meer verlaten. Het is bovendien een revolutionair stuk. Brahms was protestants en niet heel gelovig. Hij zag dan ook af van de traditie om Latijnse teksten te gebruiken. Hij nam teksten uit de Lutherse bijbel en veranderde die hier en daar ook. Daarbij verwierp hij de christelijke dogma’s: de gekozen teksten handelen niet over een almachtige god, over godsangst en hellevrees, maar er spreekt juist een diepe menselijkheid uit. In plaats van de doden te herdenken, ontmantelt Brahms’ Requiem de angst voor de dood en biedt het troost aan de overlevenden.”

De compositie is daarmee, zegt Schläpfer, totaal anders dan bijvoorbeeld Mozarts Requiem. “Daar zou ik nooit een ballet op maken. Mozarts muziek is té puur, té goddelijk, té verheven. Ze laat je als choreograaf nauwelijks ruimte. Brahms’ Requiem daarentegen is heftig, dramatisch, sensueel. Daar houd ik van. De muziek heeft zo veel kleuren, zo veel lagen. Je kunt erbij schreeuwen, met je vuist slaan en Brahms vergeeft het je als je de dansers – bewust – niet steeds in gelijke formaties laat bewegen. Zijn Requiem is als een oceaan, de golven komen en gaan. Het is muziek die je meer in je buik voelt dan in je hoofd.”

Groots en overweldigend

Toch duurde het jaren voor Schläpfer (Altstätten, Zwitserland, 1959) zich aan Ein Deutsches Requiem durfde te wagen. “Ik heb lang gedacht dat ik het misschien wel nooit zou durven. Ik moest mijzelf, vond ik, eerst maar eens als choreograaf bewijzen. Brahms’ compositie is een meesterwerk. Als choreograaf kun je, wanneer je voor zo’n stuk kiest, ‘big time’ falen en dat realiseerde ik mij heel goed, ook toen ik in 2011 alsnog in het diepe sprong. Ik was gevraagd om dat jaar in ons theater in Düsseldorf de zomerprogrammering te verzorgen, moest elke avond dertienhonderd stoelen vullen en dus dacht ik: dan moet ik wel met iets groots en overweldigends komen.”

Maandenlang verdiepte hij zich in alles wat met Brahms te maken had en met de tijd waarin de componist leefde. “Zo ontstond beetje bij beetje een concept, of meer een onderbuikgevoel. Je verzamelt zoveel mogelijk informatie en je moet exact weten vanuit welke artistieke noodzaak je een nieuwe choreografie maakt, maar als de repetities eenmaal beginnen moet je gewoon gáán.”

Een van de – voor hem verrassende – keuzes die hij daarbij maakte, was dat hij de hele choreografie op blote voeten laat dansen, waarbij de dansers hun tenen vaak bewust niet strekken maar spreiden. “In een ontspannen, gespreide voet kun je als het ware een gezicht zien”, zegt Schläpfer. “Ik wist van meet af aan dat ik, analoog aan Brahms’ muziek, vooral de menselijkheid wilde benadrukken. Dat ik geen schoonheid op schoonheid wilde stapelen, maar soms juist bewust tegen de schoonheid wilde ingaan.”

Daarbij heeft hij zich weliswaar door de door Brahms gekozen bijbelteksten laten inspireren, maar hij volgt deze zeker niet letterlijk. “Soms valt mijn choreografie gelijk met Brahms’ muziek, maar vaak ook zie je dat ik dingen net wat later in het ballet laat terugkomen en soms negeer ik de tekst volkomen. Er is ook een scène waarin de dansers vrij lang stilzitten, met hun rug naar het publiek. In dat deel laat Brahms zich toch nog even van de conservatieve kant die hij ook had zien. Als je dan als choreograaf meegaat in zo’n stuk muziek dat jou niet echt aanspreekt, hol je als het ware je eigen concept uit.”

Lichtheid, schoonheid, hoop

In een ballet waarin de menselijke emotie zo’n centrale rol speelt, kun je, geeft hij toe, natuurlijk niet heen om alles wat er in de wereld gebeurt. “Ik ben politiek zeer geëngageerd. Het maakt mij razend dat wij er in Duitsland niet in zijn geslaagd om nieuwe nazipartijen te verbieden, ik maak me grote zorgen over de situatie in Turkije, in Frankrijk, en ik verbaas mij altijd weer over al die mensen die er zo zeker van zijn dat hún God de enige echte is. We leven niet meer in het paradijs, mensen. We zijn geglobaliseerd en moeten het met elkaar zien te redden.”

Maar waar Brahms’ Requiem geen treurmuziek is, is ook Schläpfers choreografie beslist geen cumulatie van donkerte en zwaarmoedigheid. “Hoe moeilijk het leven soms ook zijn kan, er is altijd ruimte voor lichtheid, voor schoonheid, voor hoop.” Misschien dat zijn productie – net als Brahms’ muziek – troost kan bieden, maar iedereen is vrij om het ballet geheel naar eigen inzicht te interpreteren. “Dat heb ik van Hans van Manen geleerd”, zegt hij resoluut. “Dat je als choreograaf niet alles moet invullen, dat je je eigen emoties niet te veel moet laten spreken. Je moet ruimte laten. Maar dat betekent niet dat je onverschillig mag zijn.”